De oplettende kijker heeft Afke Berger wellicht al voorbij zien komen als duider in de documentaireserie Het verhaal van Nederland - De Tweede Wereldoorlog. In de aanloop naar 4 en 5 mei zochten we haar op, voor een goed gesprek over het belang van onafhankelijk historisch onderzoek en haar zoektocht naar de geschiedenis van het Harense meisje Ruth Marion Weile.
Afke, zat de interesse voor de Tweede Wereldoorlog er altijd al in bij jou?
‘Ik had vooral een heel brede interesse. Ik was als een spons voor informatie en als kind enorm blij met de bieb. Interesse in de Tweede Wereldoorlog had ik zeker, maar ook voor heel veel andere dingen. Over de Tweede Wereldoorlog was nou eenmaal veel informatie voorhanden. Internet bestond nog niet. In 1995 werd 50 jaar Bevrijding gevierd. Veel bevrijders kwamen toen naar Nederland. Dat herinner ik me nog goed. Met terugwerkende kracht was ik misschien wel iets meer met de wereld en de maatschappij bezig dan leeftijdsgenoten. Met de vraag waarom de wereld zo ongelijk is. Maar tijdens de middelbare heb ik geschiedenis zelfs laten vallen, omdat ik wist dat ik het niet per se nodig had in mijn vakkenpakket als ik het zou gaan studeren.’
Wat je wél bent gaan doen?
‘Ja, juist omdat het een zo’n brede studie is. Ik mocht elke vraag onderzoeken die ik maar wilde. Dat maakte het voor mij ontzettend leuk. Ik houd van het speuren. Het is een beetje puzzelen, creatief denken. En ik houd van het werken met bronnen; de archieven in en plekken en mensen bezoeken. Daarbij vind ik het super interessant om na te denken over perspectieven. Een van de eerste lessen die je leert op de opleiding is dat ‘de geschiedenis’ niet bestaat. Het maakt uit wie de geschiedenis schrijft. Het maakt uit welke bronnen je gebruikt. De een komt met andere argumenten dan de ander. Dan ontstaat er debat. Het is nooit klaar. Geschiedenis gaat altijd over het nu.’
Leg ’s uit; ‘geschiedenis gaat over het nu’?
‘De vragen die we onszelf stellen, komen grotendeels voort uit het nu. Zoals de discussie omtrent wie we herdenken op 4 mei en wie niet. Of denk aan de uitspraak ‘nooit weer Auschwitz’. Voor sommigen betekent dat nooit meer Jodenvervolging. Voor anderen nooit meer genocide. Hoeveel lust er ook is naar simpele antwoorden, die zijn er niet. Geschiedenis is complex. De Holocaust bijvoorbeeld wordt er steeds van alle kanten bijgehaald. In Duitsland wordt het soms als lastig ervaren het over Gaza te hebben, omdat de Holocaust dat als het ware in de weg staat. Geschiedenis gaat daarmee ook over sociologie en politicologie. Als historicus vind ik het interessant om te zien hoe narratieven werken; hoe groepen, landen en staten zich identificeren. Hoe geschiedenis een rol speelt in het bepalen van wie we zijn, maar ook bij wie we insluiten en uitsluiten. De nazi’s misbruikten de geschiedenis om hun narratief te stutten. Maar dat gebeurt nog steeds. In Rusland is de geschiedenis totaal gepolitiseerd en omgevormd, zodat die kloppend is voor Poetin en hij kan doen wat hij doet. Of kijk naar de VS, hoe snel het kan gaan met het verbieden van boeken. Wereldwijd zitten er honderden historici gevangen, omdat hun onafhankelijk historisch onderzoek gevaarlijk is voor machthebbers. Gelukkig hebben we hier in Nederland de vrijheid om onafhankelijk onderzoek te doen. Die vrijheid moeten we stevig bewaken. Het is niet vanzelfsprekend dat dat zo blijft.’
Je werkt momenteel aan een proefschrift omtrent het handelen van medewerkers van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en lokaal bestuur tijdens de Duitse bezetting. Ook uit je eerdere onderzoeken blijkt een bijzondere interesse voor het handelen van mensen in tijden van crisis?
‘Wat mensen doen in tijden van crisis, wanneer er schaarste ontstaat en hun handelingsvrijheid beperkt wordt. Dat vind ik heel boeiend. “Met elke ademteug ben je onderdeel van de bezetting,” schreef Sartre, na de Duitse bezetting van Frankrijk. Wanneer jij je best doet om in tijden van oorlog in leven te blijven of in naam van een organisatie handelt om anderen in leven te houden, ben je, linksom of rechtsom, ‘complicit’. Met andere woorden ‘ingevouwen’ in de samenleving. Maar daarbinnen is er de speelruimte om je actief te verzetten, je te verzetten door zaken te vertragen of om mee te werken, uit angst of overtuiging. Voor de meeste niet vervolgde Nederlanders verliep de Duitse bezetting heel geleidelijk. Die bewogen langzaam mee. Hoe meer ik lees, hoe bewonderenswaardiger ik het vind dat er mensen waren die in verzet kwamen. Ik weet niet wat ik had gedaan in die situatie. Ik denk dat het goed is dat je het als maatschappij, als organisatie en misschien ook wel als mens af en toe hebt over de vraag waar de grens ligt. Wanneer zou jíj stoppen? In verzet komen? Wanneer zeg je: “Dit ga ik of dit gaan wij niet doen, omdat het ongrondwettig of moreel onjuist is”? Want die vraag heeft evengoed met het nu te maken. Denk aan hoe mensen in Israël zich verhouden tot hun regering. Ook ik vraag me, net als andere historici, regelmatig af hoe luid ik moet zijn. Of ik me niet meer moet uitspreken. En hoe dan.’
Nou?
‘Ik vind mezelf wel ’s wat te passief. Zitten we hier met z’n allen een beetje te praten, terwijl de wereld in brand staat, denk ik dan. Maar ik ben er tegelijkertijd van overtuigd dat wat ik doe van waarde is voor de samenleving. In het klein heb ik invloed. Het hier alleen al over hebben, maakt verschil.’
Zoals ook het vertellen van het verhaal van Ruth Marion Weile dat doet?
‘Ja. Maar ik ben daar wel voorzichtig mee. Ruth is meer dan alleen een slachtoffer. Ze is niet een voorbeeldje dat ik even aanhaal om mijn punt te maken. Elke keer wil ik me afvragen wat mijn insteek is en wat voor meerwaarde het heeft haar verhaal te vertellen. Vaak heeft het dat júist wel hoor. Aan de hand van haar verhaal, zeker wanneer ik het vertel op scholen in Schönebeck en Haren, waar Ruth heeft gewoond en op school heeft gezeten, kan ik veel over toen en nu bespreken. De geschiedenis wordt daarmee heel tastbaar. Maar Ruth heeft er niet om gevraagd dat ik dat doe. Een ander had misschien niet gedaan met haar fotoalbum wat ik heb gedaan. Maar goed, ik had als student de tijd, de zin en de gelegenheid om haar geschiedenis te onderzoeken. Het kwam zo uit. Maar dat maakt Ruth’s verhaal niet van mij. Daarom vind ik dat ik het te allen tijde met zorg en respect naar buiten moet brengen. Het is een verschrikkelijk verhaal. We mogen met haar meevoelen. Dat doe ik ook. Maar bij historisch onderzoek hoort niet een ‘o wat erg’-laag’.
Is jouw onderzoek naar Ruth’s geschiedenis ooit afgerond?
‘Heel af en toe kom ik nog nieuwe informatie tegen. Er komen altijd weer nieuwe archieven vrij. En ik denk nog na over een boek, qua vorm vergelijkbaar met het boek Heimat, van Nora Krug. Ken je dat? Een graphic novel, vermengt met foto’s. Een boek om mee te laten zien hoe geschiedenis werkt. Hoe overlevering werkt.’
En verder? Waar kunnen we jou gaan tegenkomen?
‘Momenteel ben ik volop bezig mijn proefschrift af te ronden. Een duidelijk pad als historicus heb ik eerlijk gezegd niet. Uiteindelijk zou ik graag helpen om de wereld iets beter te maken. Ik lees zoveel ellende. Ik vind het erg en ga weer verder met mijn dag. Ik kan er ook voor kiezen daar actief iets in te doen. Maar hoe je dat dan doet en in welke vorm.. Het moet maar net bij me passen. Gelukkig is mijn leven langer. Niet alles hoeft nu.’
Afke Berger (38) groeide op in Joure en studeerde Geschiedenis in Groningen en Amsterdam, waarbij ze zich vooral richtte op moderne geschiedenis, identiteitsvorming, vluchtelingen, Jodenvervolging, de doorwerking van het verleden in het heden en het gedrag van mensen in onzekere tijden. Voor haar masterscriptie 'Toegelaten/Afgewezen. Een digitale data-analyse van Joodse aanvragen tot asiel in Nederland, 1938-1939' ontving ze in 2019 de Hartog Beem Prijs.Als promovendus is Afke verbonden aan het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.
Over haar proefschrift naar het handelen van de VNG tijdens de bezetting, waar ze momenteel aan werkt, zegt ze:
‘De doelstelling van de VNG was het vertegenwoordigen van de belangen van gemeenten richting de landelijke overheid. Maar met het blijven steunen van gemeenten, help je tevens de bezetter. Tegelijkertijd was er geen andere optie, want wanneer die gemeenten in elkaar zouden vallen, hadden burgers geen eten en geen onderdak meer. Dan is de vraag welke speelruimte er overblijft. Door verschillende momenten in de bezettingsgeschiedenis te belichten, probeer ik dat in kaart te brengen. Op een gegeven moment moet er bijvoorbeeld een Ariërverklaring worden getekend. Ik heb het dagboek van een medewerkster van de VNG. Zij beschrijft hoe vernederend ze dat vindt en dat ze beseft dat ze daarmee onderdeel wordt van het uitsluitende systeem van de Duitsers. Maar ze tekent wel. Zoals vrijwel alle medewerkers. Daar kunnen we iets van vinden, maar geschiedenis verdient het om met empathie behandeld te worden.’
Het verhaal van Ruth Marion Weile
In 2008 kreeg Afke als beginnend student Geschiedenis van haar docent Stefan van der Poel op de opleiding het fotoalbum van Ruth Marion Weile in handen. Ruth had het album in 1943, vlak voor haar gedwongen vertrek naar Amsterdam, in bewaring gegeven aan haar buurmeisje Ammy. Via Ammy’s zus, die het album jaren later terugvond, belandde het bij Van der Poel. Afke besloot de geschiedenis van Ruth te reconstrueren.
Afke: ‘Ruth werd op 25 juni 1928 geboren in Maagdenburg, Duitsland. Ze groeide als enig kind op in het nabijgelegen Schönebeck, waar haar ouders een kledingwinkel hadden.
Als gevolg van de toenemende Jodenhaat, probeerden steeds meer Joden eind jaren 30 Duitsland en Oostenrijk te ontvluchten. Maar veel landen gooiden hun grenzen dicht - ook de Nederlandse regering wenste geen ‘vreemde elementen in de samenleving’.
Tot de beruchte Kristallnacht, in november 1938. Vele Joden werden vermoord, gevangen gezet en hun winkels en huizen vernield. De gebeurtenis zorgde voor een verschuiving in de publieke opinie en druk op de Nederlandse regering.
Besloten werd dat er 2.000 Joden naar Nederland mochten komen. Het Comité van Joodse Vluchtelingen kreeg de taak een voorselectie te maken. Daarop ontving het Comité duizenden brieven met wanhopige verzoeken om toelating.
Ook Ruth’s ouders hebben, tevergeefs, geprobeerd weg te komen. Ruths vader was opgepakt tijdens de Kristallnacht, maar zou vrijkomen, mits hij Duitsland binnen twee weken zou verlaten - ik heb de brieven gezien die de oom en tante van Ruth, die al eerder naar Nederland waren gekomen, schreven om het Comité te overtuigen van de doodsnood van Ruth’s ouders.
Daarnaast werden er kindertransporten georganiseerd, voor kinderen tot en met 15 jaar. Een groot deel van hen ging door naar Engeland, maar er bleven er ook een aantal in Nederland. Onder hen Ruth.
De bedoeling was dat Ruth bij haar oom en tante in Amsterdam zou intrekken. Het gezin werd echter te arm bevonden door het Kindercomité, een onderdeel van het Joods Comité. Zo kwam Ruth achtereenvolgens terecht in een tehuis in Rijswijk en Scheveningen, waarna ze in de zomer van ‘39 in een Joods pleeggezin in Groningen werd ondergebracht: de familie van der Lijn in Groningen, eigenaren van de bekende kantoorboekhandel Lorjé. In ’41 verhuisde het gezin Lorjé naar de Poorthofsweg 26 in Haren.
Totdat in februari ’43 alle Joden in de provincie werden opgeroepen zich te melden, waarna zij werden doorgestuurd naar Amsterdam, Kamp Westerbork of Kamp Vught. Doel van de bezetter was om op die manier de Joodse gemeenschap meer en meer te concentreren.
In Amsterdam verbleef Ruth in een huis in de Transvaalbuurt, met twee voor haar onbekende mensen. Er was wel contact met haar Amsterdamse familie.
Op 25 mei ’43 vond in Amsterdam een grote razzia plaats. Daaraan voorafgaand had de Joodse Raad van de bezetter de opdracht gekregen om 7.000 Joden op te roepen. Velen gaven daar geen gehoor aan, waarop de Duitsers huis aan huis gingen om Joden op te pakken. Ook Ruth werd daarbij opgepakt en op de trein naar Westerbork gezet.
Op dinsdag 7 augustus 1943 is Ruth gedeporteerd, naar Auschwitz. Overigens met hetzelfde transport als Etty Hillesum, die na de oorlog bekend zou worden door publicaties uit haar dagboek. De reis, vlak langs Maagdenburg, duurde drie dagen. Volgens een verslag van dat betreffende transport werd er na aankomst gevraagd wie er op een kar wilde en wie niet - een teken van zwakte voor de nazi’s. Hoogstwaarschijnlijk is Ruth daar opgeklommen en toen direct naar de gaskamer gestuurd.
Haar ouders waren op dat moment al vermoord, eveneens in Auschwitz. Haar oom en tante uit Amsterdam zijn diezelfde zomer in Sobibor vermoord.
Ruth’s nichtje Lore overleefde de oorlog, als één van de ‘Philipsmeisjes’ in Kamp Vught. In 1949 verhuisde ze naar Israël, waar ik haar dochter heb opgezocht. Ook zij bleek nog een fotoalbum te hebben, met daarin voor mij onbekende foto’s van Ruth. Dat was heel bijzonder om te zien.’