Pim Lammers: ‘De wereld heeft nood aan meer liefde’

Schrijver Pim Lammers hervond door te schrijven zijn hoop op een betere wereld

 Hoe lastig het leven ook is, er zijn gelukkig nog steeds ontzettend veel dingen om van te houden, zo ontdekte schrijver Pim Lammers tijdens het werken aan zijn dichtbundel Ben je vergeten dat babygeitjes bestaan?. De in het Drentse Norg opgegroeide Lammers bracht al dat moois samen in zijn gloednieuwe bundel vol liefde. Zijn ultieme antwoord; niet alleen op de haat die hij twee jaar geleden zelf ervaarde, maar vooral op de toenemende verharding en polarisatie die hij ziet in de samenleving. Meer zocht hem op in zijn woonplaats Utrecht.

 

Pim, een dichtbundel over liefde; die was nodig?

Ja. Ik merkte de laatste jaren dat ik de wereld een steeds minder leuke plek vond. Oorlogen, klimaatverandering, genocide, racisme, homofobie, transfobie.. Al die haat. Waar doen we het nog voor, wat maakt de wereld nog mooi, vroeg ik me vaak af. Die vraag vormde het startschot, de basis, voor deze bundel. Dat wilde ik onderzoeken. Al schrijvende kwam ik er - gelukkig - achter dat er nog heel veel is om van te houden. Al die dingen die het leven de moeite waard en de wereld tot een mooiere plek maken, vind je terug in deze dichtbundel.

 

Is de bundel ook een antwoord op de haat die jij zelf hebt ervaren in februari 2023?

Ik praat het liefst zo weinig mogelijk over die periode. Ik wil het graag achter me laten. Maar ja, het heeft zeker invloed gehad. Op mij als persoon, op hoe ik naar de wereld kijk en dus ook op mij als schrijver. Wanneer ik het heb over haat, heb ik het natuurlijk ook daarover. Ik heb daar maar één antwoord op: liefde. Ik zou zó graag wat meer empathie zien in de samenleving. Ik geloof oprecht dat deze wereld wel wat liefde kan gebruiken. Die regel komt letterlijk terug, in het gedicht De reden van ons bestaan. Het is de rode draad van mijn bundel geworden.

 

Dat klinkt strijdbaar?

Het is zó belangrijk om te horen dat je goed bent zoals je bent. Er zijn nog steeds zóveel kinderen en volwassenen die het gevoel hebben dat ze niet zichzelf mogen zijn. Het enige dat ik als schrijver kan doen is de boodschap overbrengen dat je dat wél mag zijn. Wat mij is overkomen, heeft me alleen maar sterker gemaakt in mijn overtuiging dat het belangrijk is dat er boeken over diversiteit en liefde geschreven worden. Sterker nog, dat wordt steeds belangrijker en relevanter. Mijn werk en deze bundel zijn mijn reactie op haat. Niet alleen op de haat die ik als persoon heb ervaren, maar ook op de haat die ik zie en voel in de hele samenleving. Steeds meer mensen worden ermee geconfronteerd. Mijn reactie daarop is blijven schrijven.

 

Schrijven over liefde en diversiteit als jouw missie in het leven?  

Die missie had ik al. Die is nog sterker geworden: boeken schrijven waarin ieder kind zich thuis kan voelen en zich kan herkennen. Daarbij hoop ik vurig dat mijn werk mensen aanzet om met een meer liefdevolle blik naar de wereld en naar elkaar te kijken. Dat het aanzet tot nadenken en misschien zelfs wel tot handelen. Frits Spits heeft mijn gedichten in zijn radioprogramma De Taalstaat een keer omschreven als ‘gespreksgedichten’. Dat vond ik een hele fijne omschrijving, want dat is exact wat ik graag zou zien; dat mensen niet alleen mijn gedichten lezen, maar er daarna met elkaar of met zichzelf over in gesprek gaan.

 

Je spreekt over kinderen en volwassen. Voor wie is deze bundel bedoeld?

De bundel valt onder jeugd- of kinderpoëzie, voor 8+. Maar ik vind  de termen ‘jeugdpoëzie’ of ‘kinderboeken’ een beetje misleidend. Voor mij betekent kinderpoëzie hooguit dat de hoofdpersonen in de gedichten kinderen zijn. Maar mijn werk, ook deze bundel, is voor iedereen. We zijn allemaal kind geweest. Daar kun je en mag je naar teruggaan. Door als volwassene met een kinderblik naar de wereld te kijken, leer je opnieuw naar bepaalde situaties te kijken.

 

Leg ’s uit?

Kinderen maken hetzelfde mee als volwassenen. Verliefdheid, rouw, noem maar op. Maar doordat kinderen veel van die dingen voor het eerst meemaken, kijken ze met een veel puurdere blik naar die gebeurtenissen. Met een blik vrij van vooroordelen en stereotypen. Precies die empathie die wij als volwassenen veelal kwijt zijn geraakt, zie je nog terug in de onbevangen blik van een kind. In mijn werk vertaal ik dat onder meer door de vanzelfsprekende aanwezigheid van diversiteit, iets dat ik vroeger als kind gemist heb in de boeken die er toen waren. Maar het is even goed waar ik als volwassene behoefte aan heb. Want de wereld ís divers.

 

Hoe kijk jij zelf naar de wereld? Door een kinderbril?

Ik weet niet of ik echt een leeftijd kan plakken aan hoe ik de wereld zie. Ik vind de wereld nog altijd een heel ingewikkelde plek. Dat vond ik als kind ook. Wat dat betreft is mijn kijk niet veel veranderd. Er zijn nog steeds zoveel dingen die ik niet begrijp. Ik denk niet dat ik daarin een uitzondering ben. Heel veel volwassenen zullen dat herkennen. Een voorbeeld? Hoe wij als samenleving omgaan met mensen die gevlucht zijn. Er bestaat zoveel haat jegens vluchtelingen. Waarom willen we niet naar hen luisteren? Als je hun verhalen hoort, kan ik me niet voorstellen dat je vindt dat we die mensen terug moeten sturen. En wie beschermt al die kinderen in azc’s tegen alle extreme uitlatingen op televisie, zelfs in de Tweede Kamer? Of de kinderen op schoolpleinen waar dat alles herhaald wordt?  

 

Je schuwt in je bundel niet om dergelijke thema’s aan te snijden. Zijn die niet te zwaar en te ingewikkeld voor kinderen?

Zeker niet. Als kinderen ergens allergisch voor zijn, is het kinderachtigheid. Die hebben het meteen door wanneer iemand hen niet serieus neemt en niet als gelijkwaardige gesprekspartner behandelt. Kinderen vinden het fijn wanneer ze serieus genomen worden. Omdat veel volwassenen bepaalde onderwerpen moeilijk en zwaar vinden, wordt ervan uitgegaan dat kinderen dat ook zullen vinden. Maar juist wanneer we die onderwerpen van hen weghouden, maken we het ingewikkeld en moeilijk. Zoiets als de dood; ieder kind maakt dat op een gegeven moment mee. Of het nou gaat om de hamster of over opa of oma. Hetzelfde geldt voor klimaatverandering. Kinderen zien het Jeugdjournaal of zitten erbij wanneer hun ouders daar in de woonkamer over praten. Ze komen ermee in aanraking en maken zich er daadwerkelijk druk over. Dus is het goed om er met hen over te praten. Om die reden durf ik bijvoorbeeld de afkorting IND best te gebruiken. In het gedicht wordt vanzelf duidelijk waar het over gaat en welk gevoel ik wil overbrengen. Wanneer een kind iets echt niet begrijpt, ben ik ervan overtuigd dat het dat opzoekt of vraagt.

 

Waar heb jij de ideeën voor de gedichten in deze bundel opgedaan?

Veelal vormen de herinneringen uit mijn eigen jeugd een inspiratiebron. Ik heb nog heel heldere en levende jeugdherinneringen. Die gaan echt ver terug. Ik kan me zelfs nog momenten herinneren van de kinderopvang. Daarnaast zie je de plek waar ik was toen ik het gedicht schreef vaak terug in mijn werk. Zoals in het gedicht Een grote gans. Dat is ontstaan toen ik vorig jaar drie weken lang in een schrijfresidentie in Upstate New York verbleef. Daar was een meer, met heel hoog gras ervoor. Daar lag ik dan dagenlang te schrijven, op een kleedje, onder een parasolletje. Met uitzicht over dat meer, waar dus ook die ganzen zwommen.

 

Zien we jouw jeugdjaren in Norg nog terug in de bundel?

Niet als concrete plekken. Wel in de onderwerpen. Een grote gans gaat over een gans die zich ver weg bevindt van de andere ganzen in de vijver. In het gedicht kijkt de hoofdpersoon naar die eenzame gans en neemt zich voor om dat ene jongetje in zijn klas, dat altijd ver van de groep vandaan zijn boterhammen eet in de pauze, na de vakantie meer op te gaan zoeken. Dat is iets dat direct voortkomt uit mijn eigen jeugd. Wanneer ik een verjaardagsfeestje gaf, moest ik van mijn moeder ook dat jongetje uitnodigen dat gepest werd. Dat deed ik. En niet met tegenzin. Het was voor mij volstrekt normaal om hem te vragen.  

 

Je komt in de rol van dichter één op één terug in de bundel, incluis je oorbelletje!

Haha! Ja, In Weer even ridder zijn. Illustratrice Nadia Meezen heeft mij daar zo leuk bij afgebeeld. In het gedicht vraag ik me af of je ‘later als je groot bent’ nog wel met bootjes in bad mag spelen of mag fantaseren dat je een ridder bent. Kortom, of je dan nog wel kind mag zijn. Ik vind dat dat zeker mag. Móet misschien wel. Als volwassenen zouden we veel vaker weer even moeten spelen en fantaseren. Ik doe dat door te schrijven. Fantaseren mondt bij mij vanzelf uit in verhalen en gedichten. Dat voelt voor mij als spelen en fantaseren. Als ik schrijf, mag ik weer even kind zijn.

 

Wat dit keer resulteerde in een bundel vol hoop en liefde. Maar Pim, soms is het leven toch gewoon.. klote?

Klopt. Ook dat zit in de dichtbundel. Het titelgedicht Ben je vergeten dat er babygeitjes bestaan? gaat feitelijk daarover. Daarin verzint de hoofdpersoon van alles om iemand zijn bed uit te laten komen. Maar diegene die in bed ligt wil dat allemaal niet. Die vindt alles stom en heeft nergens meer zin in. Ik heb ook heus momenten dat ik het leven en de wereld niet leuk meer vind hoor..

 

..maar dan zijn er altijd nog babygeitjes en pinguïns?

Precies! Het is zó fijn dat babygeitjes bestaan. Om daar gewoon even naar te kunnen kijken als je je niet lekker voelt. Voor mij zijn dat kleine geluksmomenten. Die zouden we wat meer mogen opzoeken. Hetzelfde heb ik wanneer ik pinguïns zie. Daar word ik zó blij van! Plus dat die pinguïn mannen waarmee het gedicht Gestolen begint, die met z’n tweeën een kuiken opvoeden, laten zien dat homoseksualiteit absoluut natuurlijk is. Daar zit voor mij ook een gedeelte queer educatie in. Daarover gesproken; ik las laatst dat er in Amerika conservatievelingen zijn die vinden dat er op scholen zelfs niet gesproken mag worden over zeepaardjes. Dat zou woke linkse indoctrinatie zijn. Alleen omdat de mannetjes de kinderen baren. Dat is toch bizar! Dat we de natuur woke gaan noemen!

 

Toch blijf jij hoopvol?

Ja. Dat is wie ik wil zijn. En meestal lukt me dat aardig. Ik wil weliswaar eerlijk zijn en een realistische weergave van de wereld en het leven geven, maar vooral de hoop op beter niet verliezen. Ondanks alle ellende in de wereld lukt het me het nog steeds het goede van de mens te blijven zien. Ik blijf erin geloven dat we in de kern allemaal het beste willen. Dat we allemaal een samenleving willen waarin we in vrijheid kunnen leven en onszelf kunnen zijn. Dat is soms moeilijk, maar niet onmogelijk. Mij helpt het te schrijven. Door het werken aan deze bundel heb ik de hoop weer teruggevonden. Maar hoop is voor mij niet iets passiefs. Je moet niet achterover gaan zitten wachten tot het vanzelf goed komt. Als je wilt dat de wereld een betere plek wordt, moet je daar actief iets voor doen. Ik doe dat door te blijven schrijven. Over liefde en jezelf mogen zijn.  

 

Over Pim Lammers

Pim Lammers (2 oktober 1993) groeide op en Norg en Oosterwolde. Na het behalen van zijn vwo-diploma vertrok hij naar Amsterdam voor een studie politicologie en Nederlandse taal en cultuur aan de UVA.

In 2018 won hij als jongste winnaar ooit een Zilveren Griffel met Het lammetje dat een varken is, het allereerste Nederlandstalige prentenboek met een transgenderthema. In 2025 won hij met het prentenboek Een ongelofelijk grote, ongelofelijk gevaarlijke leguaan opnieuw de Zilveren Griffel. In 2022 schreef Lammers al de dichtbundel Ik denk dat ik ontvoerd ben. In datzelfde jaar ontving hij de Boer Boris Premie voor zijn inspanningen een diverser kinderboekenlandschap te bewerkstelligen. Eind vorig jaar verscheen Wegloopdagen, zijn eerste jeugdroman. In totaal schreef Lammers meer dan 20 boeken, waarvan er een groot deel zijn vertaald naar het Spaans, Frans, Japans en zelfs het Stellingwarfs. In het verleden schreef Pim ook scènes voor Sesamstraat. Momenteel werkt hij behalve aan een nieuwe dichtbundel voor 15+ aan een groot avonturenboek en een filmscript.

In 2023 zou Lammers het Kinderboekenweekgedicht schrijven, toen hij in februari plots doelwit werd van een haatcampagne vanuit extreemrechtse hoek. Het resulteerde in honderden doodsbedreigingen. Vanuit de politiek en de literaire wereld ontving hij veel steun. Op het Boekenbal droeg Lammers in maart dat jaar alsnog zijn kinderboekenweekgedicht Gestolen voor, dat tevens deel uitmaakt van zijn nieuwe bundel.

Pim is woonachtig in Utrecht, samen met zijn vriend Jasper. Hij vertoeft nog altijd graag in het noorden van Nederland. Enerzijds omdat zijn familie daar woont, maar ook om zich er terug te trekken in een van zijn favoriete schrijvershuisjes in de bossen van Norg.