‘Eindelijk weten we wat er met Opa is gebeurd’

Historicus Marcel Zantingh brengt nazaten van in de Tweede Wereldoorlog vermoorde familieleden duidelijkheid

 

Menig uur bracht historicus Marcel Zantingh door in archieven door het hele land, waaronder het - momenteel veel bezochte - Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Dit omwille van zijn boek Mensenjacht, over het optreden van de Sicherheitspolizei in Drenthe tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dankzij zijn inspanningen hebben meerdere lezers eindelijk duidelijkheid gekregen over wat er precies met hun familieleden is gebeurd. Onder hen de kleindochters van de Hoogeveense boer Roelof Koops en de Harense gemeentesecretaris Pieter Wierenga.

 

Marcel (37): “Mijn interesse voor de Tweede  Wereldoorlog ontstond door een verhaal dat in mijn familie rondging, over mijn overgrootvader en zijn zoon. Die hadden Amerikaanse bemanningsleden van een bij Zweeloo neergestorte bommenwerper geholpen te ontsnappen aan de Duitsers. Beiden hebben daarna vastgezeten in Assen en zijn bevrijd door het verzet. Dat verhaal fascineerde mij.

Na mijn studie Sociale en Economische Geschiedenis ging ik werken bij een adviesbureau dat historisch- en veldonderzoek doet naar explosieven uit de oorlog. Daarvoor bezocht ik verschillende archieven. Als ik een moment over had, ging ik op zoek naar informatie over de neergestorte bommenwerper. Uiteindelijk heb ik contact weten te leggen met nazaten van de bemanningsleden en kon ik hen voorzien van informatie die ze niet hadden.

Zoals zij zijn er zoveel mensen die waardevolle informatie omtrent hun in de oorlog omgekomen familieleden niet hebben. Dat is mijn motivatie om dit te doen. Ik wil juist in die oorlogsverhalen duiken waar niet of nauwelijks over gepubliceerd is. Zodat we ook die gebeurtenissen en de slachtoffers die daarbij vielen niet vergeten.”

 

Kippenvel

“Al zoekende in de archieven voor mijn eerste boek, over Zweeloo in de oorlog, las ik veel over de Sicherheitspolizei (Sipo). Dat was de politieke recherche. Politiemannen die jacht maakten op politieke tegenstanders van het naziregime. Zij deden het uitvoerende werk, denk aan arrestaties en fusillades. Zo groeide bij mij het idee voor het boek Mensenjacht.

Ik ben ontzettend veel indrukwekkende verhalen tegengekomen, vaak met gruwelijke afloop. Maar vooral de verhalen over boer Roelof Koops en gemeentesecretaris Pieter Wierenga hebben op mij indruk gemaakt. Ik ben blij dat ik de kleinkinderen van Koops heb kunnen vertellen wat hun moeder, twee jaar oud toen haar vader werd vermoord, nooit geweten heeft. Over Wierenga was al wel geschreven, maar een hoop details waren onopgehelderd gebleven. Van het gedeelte in het verhaal over zijn dochter Rita, die bij toeval nog net de begrafenis van haar vader meemaakt, krijg ik nog steeds kippenvel. Als het even anders was gegaan, had hij kunnen onderduiken. Dan had dit verhaal niet in het boek gestaan.”

 

De andere kant

“Hetzelfde geldt in meer of mindere mate voor de daders en hun nazaten. Bij de Sipo in Drenthe zaten veel Nederlanders. Kortgeleden heeft een kleinkind van een van hen contact opgenomen, naar aanleiding van het verschijnen van Mensenjacht. Door het boek is ze dingen te weten gekomen over haar opa die ze niet wist. Hoe pijnlijk ook, is het voor haar belangrijk om te weten wie hij was en wat hij gedaan heeft. Het werkt dus evengoed de andere kant op. Zo ben ik er ook achter gekomen dat de tekst op het bord bij het monument in Spier, ter nagedachtenis aan de fusillade die daar plaatsvond, niet klopt; degene die de opdracht daartoe zou hebben gegeven, is niet de dader. Als historicus zie ik het als mijn taak om mensen te voorzien van de juiste informatie.”

 

‘Weggenomen’ om niets – het verhaal van Roelof Koops

Boer Roelof Koops (27) woont met zijn vrouw Elsje (27) en hun tweejarige dochtertje Catharina tussen Hoogeveen en Hollandscheveld. In Hoogeveen is Hubert-Peter van den Berg (22) gelegerd, een Nederlands lid van de Waffen-SS. Regelmatig gaat hij eropuit om melk te halen. Ook bij Koops klopt hij aan. Maar daar krijgt Van den Berg niet wat hij wil.      

Uit frustratie besluit de SS’er om Koops uit te lokken tot het plegen van een strafbaar feit. Hij doet zich voor als zeer anti-Duits, om zo het vertrouwen van de boer te winnen en vraagt of deze bereid zou zijn om de soldaat een onderduikplek te bieden. Hoewel Koops dat keer op keer weigert, stapt Van den Berg toch naar zijn oversten, waarop de Sipo in Assen wordt ingelicht.

Op woensdag 11 oktober 1944 krijgt Van den Berg naar eigen zeggen de opdracht om naar Koops te gaan en opnieuw te vragen of hij kan onderduiken. Bij terugkomst moet hij echter melden dat dat niet het geval is.

“Als je wilt onderduiken, trek dan je uniform uit en doe een burgerpakje aan. Dan herkent niemand je,” zou Koops volgens de naoorlogse getuigenis van zijn vrouw Elsje tegen de SS’er hebben gezegd.

Niettemin besluit de Sipo Koops te arresteren, voordat de boer onraad ruikt en besluit zélf onder te duiken.

Tegen middernacht wordt hij opgepakt en meegenomen naar het bureau van de Waffen-SS in Hoogeveen. ‘Aansporen tot deserteren’, luidt de beschuldiging. Koops zou daarnaast, zo verklaart een van de aanwezige Sipo-agenten na de oorlog, om de uitrusting van onder te duiken SS’ers hebben gevraagd.

Zelfs na zware mishandelingen blijft Koops ontkennen dat hij illegaal werk heeft verricht, dan wel wapens in zijn bezit heeft. Totdat hij - wellicht om de gruwelijkheden die hij moet ondergaan te laten ophouden - alsnog zegt een SS’er gevraagd te hebben om een machinepistool, aldus de verklaring van een van de agenten.

Daarop wordt Koops bevolen om in een auto te stappen, zogenaamd op weg naar de gevangenis in Assen. In de buurt van Nuil stopt het gezelschap, wordt Koops uit de auto getrokken en met meerdere schoten om het leven gebracht.

Het blijft onduidelijk wie de schoten op Koops heeft gelost, daar de betrokken Sipo-agenten na de oorlog graag naar elkaar en zeker naar de intussen gesneuvelde agent Van Noordenne wijzen, al lijkt het aannemelijk dat de laatste het geweest is.

Twee dagen later wordt Roelof Koops begraven. ‘Weggenomen door een noodlottig ongeval’, staat er te lezen op zowel de rouwkaart als de grafsteen. Bij gebrek aan de vrijheid om het anders te verwoorden.

Elsje, gebroken door het verlies van haar man, weigert na haar getuigenis ooit nog te praten over hetgeen er met hem is gebeurd. Voor haar dochter Catharina blijft de dood van haar vader haar hele leven lang een ongrijpbare gebeurtenis. 

Bron: ‘Mensenjacht’, Marcel Zantingh

 

Fatale sigarenkistjes – het verhaal van Pieter Wierenga

Gemeentesecretaris Pieter Wierenga (59) krijgt op woensdag 15 november 1944 van NSB-burgemeester De Waard opdracht om in het kader van de Arbeitseinsatz, de verplichte tewerkstelling in dienst van de bezetter, een lijst op te stellen van alle mannelijke inwoners van de gemeente Haren van 18 tot 45 jaar.  

De volgende dag, donderdag 16 november, meldt vrijwel het voltallige gemeentepersoneel zich in de burgemeesterskamer, met Wierenga als woordvoerder. Wierenga, die betrokken is bij de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en in zijn rol als gemeentesecretaris waar het kon al eerder Duitse maatregelen traineerde en saboteerde, heeft gezamenlijk met het gemeentepersoneel besloten geen gehoor te geven aan de opdracht. Naast dat deze in strijd is met hun eigen eer en geweten, is hen door de Nederlandse regering in Londen uitdrukkelijk verboden om dergelijke lijsten aan te leggen.

In het bijzijn van Wierenga belt De Waard vervolgens met zijn leidinggevende in Groningen, commissaris Staargaard. Het telefoongesprek wordt clandestien afgeluisterd door een collega van Wierenga. Deze hoort de commissaris zeggen dat hij de Sipo wil inlichten, om een ‘voorbeeld’ te stellen. Tegen Wierenga zegt de burgemeester echter dat het personeel “maar weer rustig aan het werk” moet gaan.

Wierenga en zijn collega’s vertrouwen het niet en besluiten dat het voltallige gemeentepersoneel zo snel mogelijk moet onderduiken. Net op tijd, want niet veel later arriveert de Sipo uit Groningen, met aan het hoofd Ernst Knorr. 

Thuis grist Wierenga snel wat kleding bij elkaar. In zijn koffer stopt hij nog een paar kistjes sigaren en in zijn fietstas tien pakjes shag. Ver komt hij niet. Op weg naar zijn broer in Emmen wordt hij bij De Punt aangehouden door een paar Landwachters, die de hoeveelheid tabak van vooroorlogse kwaliteit zien als erg verdacht; deze fietser moet wel een illegale handelaar zijn.

Wierenga wordt gearresteerd en meegenomen naar het plaatselijke Landwachthoofdkwartier in Vries. Daar vertelt hij dat hij gemeentesecretaris is in Haren, wellicht in de hoop te ontkrachten dat hij een illegale handelaar is en vrijgelaten wordt.

Eenmaal op de hoogte van Wierenga’s aanwezigheid op het Landwachthoofdkwartier, vertrekt Knorr meteen met enkele agenten van de Ordnungspolizei (Orpo, de ‘reguliere’ Duitse politie) naar Vries.

Na hun aankomst krijgt de secretaris het bevel zijn jas uit te trekken en al zijn waardevolle voorwerpen in zijn hoed te deponeren, waarna hij meegenomen wordt naar buiten. Achter het huis, pal naast een schuur, wordt hij door zijn hoofd geschoten.

Diverse bronnen melden dat Knorr de schutter is geweest, maar het is zeer wel mogelijk dat het Orpo-agent Schmid geweest is, voor wie het na de oorlog makkelijk wijzen is naar de inmiddels overleden Knorr.

Wierenga’s vrouw Matsen (58) en zijn twintigjarige dochter Rita zijn op dat moment ondergedoken in Groningen. Zij hebben geen idee wat er met hun man en vader is gebeurd. Op zoek naar nieuws vertrekt Rita twee dagen later naar Emmen. Bij De Punt komt ze een kennis tegen, die haar adviseert naar Vries te gaan. Daar vindt ze haar vader, in het lijkenhuisje. Hoewel ze er eigenlijk niet bij mag zijn, is ze er die dag getuige van dat hij wordt begraven. Terug in Groningen vertelt ze haar moeder wat ze heeft gezien.

Bron: ‘Mensenjacht’, Marcel Zantingh

 

Het Niedermachungsbefehl; voor velen een doodvonnis  

Marcel: “Het Niedermachungsbefehl was door de Duitse bezetter in juli ’44 uitgevaardigd om te voorkomen dat verzetslieden berecht werden en martelaar zouden worden. Het maakte het voor Sipo-agenten heel makkelijk om zelfs de kleinste vorm van verzet létterlijk neer te slaan. Je hoefde vrijwel niets te doen om opgepakt en vermoord te worden.”

 

Jeannette van Dijk (57): “Toen onze ouders trouwden, zijn ze bij Oma Koops ingetrokken. Mijn zusje Inge (53) en ik zijn dus met haar opgegroeid. Naar Catharina, onze moeder, was Oma afstandelijk en weinig liefdevol. Wij herinneren haar niet als ongezellig, maar over Opa kon en wilde ze niet praten. Die geschiedenis had voor mij en Inge daardoor altijd iets geheimzinnigs. Op 4 mei moesten we stil zijn. Ik zie Oma nog zitten, op het hoekje van de bank, starend naar de televisie. Verder werd ons niets verteld. Op Koninginnedag mocht de vlag uit, maar niet op 4 en 5 mei. Dat wilde Oma niet. Nieuwsgierig als we waren, gingen Inge en ik in huis soms zoeken op plekken waar we eigenlijk niet mochten komen. Zo vond ik op zolder een ingelijste foto van Opa. Gewikkeld in een deken, verstopt achter een stapel spullen. In huis hing geen enkele foto van hem. Pas na Oma’s overlijden, heeft Mama de trouwfoto van Opa en Oma durven neerzetten en is ze zelf op zoek gegaan naar informatie over haar vader. Maar meer dan dat hij doodgeschoten was, kwam ze niet te weten. Mama, overleden in 2018, heeft zodoende nooit geweten wat er met haar vader is gebeurd. Dankzij Marcel weten wij dat nu wel. Dat gat, die leegte, is nu opgevuld. Het verhaal is meer gaan ‘leven’ voor ons. Daags voor 4 mei zullen we het graf van Opa weer gaan schoonmaken, al dan niet samen met de kinderen van Inge. Net zoals onze ouders dat elk jaar deden. Ik hoop dat ze dat in de toekomst blijven doen, zodat het verhaal van Opa Koops niet vergeten wordt.”

 

Lilian Venhuizen (66): “Na hun trouwen hebben onze ouders Oma Wierenga in huis genomen. Zij was er dus altijd. Toen mijn zus Marja (71) en ik klein waren, was het verhaal van Opa op de achtergrond aanwezig. Ik herinner me de beladenheid van de Dodenherdenking op televisie. Verder werd er bij ons thuis niet over de oorlog gesproken. Later vroegen we er uit respect niet naar. Er hing zelfs geen foto van Opa in huis. Nadat Oma en Mama overleden waren, is onze vader meer aandacht aan de oorlogsgeschiedenis van zijn vrouw en schoonmoeder gaan besteden. Hij heeft er onder meer voor gezorgd dat de herdenkingssteen na de sloop van het oude gemeentehuis van Haren een plek heeft gekregen bij het nieuwe. De laatste jaren zijn wij ons zelf meer gaan verdiepen in het verhaal over Opa en zijn we in Haren op 4 mei de herdenkingsbijeenkomst gaan bezoeken. De behoefte om ermee bezig te zijn, wordt steeds groter. Pas wanneer je zelf ouder bent, besef je wat die mensen allemaal doorgemaakt hebben. Mama is helaas jong overleden. Ik was toen 20. Net zo oud als mijn moeder was toen zij haar vader vond. Achteraf gezien is het jammer dat we die oorlogsgeschiedenis nooit hebben kunnen delen met Oma en Mama. Het is zoals het is. Zij hebben denk ik geprobeerd ons er van af te schermen. Ik heb intussen zelf kleinkinderen. Mijn kleinzoon van acht kreeg onlangs op school les over de Tweede Wereldoorlog. Toen heeft zijn moeder hem meegenomen naar Opa’s graf. Mooi en belangrijk. Want niet alleen Opa, maar alle slachtoffers uit die verschrikkelijke oorlogsjaren moeten herinnerd blijven.”